Het MTM-systeem detecteert (m.b.v. detectieraaien, per rijstrook twee detectielussen kort achter elkaar) de gemiddelde snelheid en intensiteit op bijna het gehele hoofdwegennet (HWN). Ook die netwerkdelen waarin een tunnel is gelegen. Buiten de tunnel liggen de detectieraaien gemiddeld zo om de 500 meter. In de tunnel is dat gemiddeld zo om de 150 meter. Wanneer op een bepaalde detectieraai op één rijstrook het voortschrijdend gemiddelde van de snelheid onder van een tevoren ingestelde waarde komt, worden de matrix signaalgevers van MTM actief met aangepaste snelheden. <i> In een tunnel is deze aangepaste snelheid [50]. Deze wordt vanaf het portaal waar de snelheidsonderschreiding is gedetecteerd stroomopwaarts doorgetrokken tot buiten de tunnel (tot portaal 4 het portaal met de verkeerslichten). </i> Een Wegverkeersleider kan dit waarnemen op zijn/haar digitale MTM-wegenkaart die behoort tot zijn/haar uniforme werkplek. Dit kan hem/haar helpen om voorvallen op het netwerk of in de tunnels (langzaam rijdend verkeer) te detecteren.<br/>