Naar aanleiding van de gepresenteerde beeldstanden van de matrixsignaalgevers en het door DVM-systeem afgegeven alarm bekijkt de Wegverkeersleider de snelheid en de intensiteit op het betreffende netwerkdeel waar de tunnel in bevindt. Hij/zij raadpleegt de onderstations van het signaleringssysteem (deze bevatten meer nauwkeurige gegevens omtrent gereden snelheid en gemeten intensiteit) en raadpleegt de 'triggers' in het DVM-systeem. Op deze wijze vormt de WVL zich een meer objectief beeld van de situatie en besluit op grond hiervan om de tunnelbuis steeds beurtelings te openen en te sluiten.<br/>